CRvB 7 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY5603
Appellant is werkzaam als concerncontroller en organisatieadviseur in dienst van de gemeente Midden-Delfland. Op 1 juli 2009 heeft appellant een e-mailbericht opgesteld en verzonden vanaf zijn privé-e-mailadres over de gevolgen van de meicirculaire. Het bericht was bedoeld voor het gemeenteraadslid R, maar is per ongeluk terechtgekomen bij de griffier van de gemeenteraad. Deze heeft het bericht doorgestuurd naar de gemeentesecretaris. Het college heeft appellant bij besluit van 26 januari 2010 de disciplinaire straf van berisping opgelegd. Raad: Dat appellant de mededelingen in het e-mailbericht heeft gedaan als privé-persoon volgt de Raad niet. (…) Er is sprake van (vertrouwelijke) informatie, waarover appellant uitsluitend uit hoofde van zijn functie beschikte. Die informatie had appellant niet buiten de interne organisatie rond het college mogen brengen zonder het college daarin te kennen. Overigens kan bezwaarlijk worden aangenomen dat appellant door het gemeenteraadslid R louter is benaderd als privé-persoon zonder dat zijn ambtelijke functie daarin van enige betekenis kan zijn geweest. Gezien de inhoud van het bericht kan slechts worden geconcludeerd dat appellant spreekt als financieel deskundig ambtenaar bij de gemeente en niet als willekeurige burger. Het college heeft dan ook terecht geconstateerd dat sprake is van (de schijn van) belangenverstrengeling en dat appellant de geldende gedragscode heeft overschreden. De inhoud van het e-mailbericht laat zien dat appellant aan een derde zijn opvatting kenbaar maakte over de financiële situatie van de gemeente en hoe op dat punt zou moeten worden gehandeld. Met het college wordt geoordeeld dat het appellant gelet op zijn ambtelijke positie niet vrijstaat zijn visie op dit punt en op dat moment naar buiten te brengen. Appellant is als controller en organisatieadviseur, en als zodanig één van de hoogste ambtenaren van de gemeente, betrokken bij de interne voorbereiding van het besluitvormingsproces en moet zijn denkbeelden en advies in dat kader naar voren brengen. Zeker zolang de politieke en bestuurlijke besluitvorming nog niet rond is, moet appellant zich onthouden van het naar buiten brengen van zijn (persoonlijke) visie. Dit geldt ook, of juist, indien het bij degene(n) aan wie deze visie wordt verkondigd gaat om personen met een politieke functie die deel uitmaken van de oppositie. Appellant is uit hoofde van zijn functie immers in de eerste plaats loyaliteit verschuldigd aan het college. (…) Het gedrag van appellant is terecht aangemerkt als strafwaardig plichtsverzuim en de lichtste disciplinaire straf van berisping die het college daaraan heeft verbonden is niet onevenredig aan de aard en ernst van dit plichtsverzuim. Daarbij is meegewogen dat het college er belang bij heeft aan appellant duidelijk te maken waar de grenzen liggen van wat hij zich als ambtenaar kan permitteren.