CRvB 3 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1936

De minister heeft besloten met ingang van 1 november 2010 de betaling van appellants bezoldiging stop te zetten (besluit 1). Na een daarop gericht voornemen heeft de minister appellant bij besluit eervol ontslag wegens ziekte verleend met ingang van 1 januari 2011 (besluit 2). Op 14 juni 2011 heeft appellant de minister in gebreke gesteld, gesommeerd binnen twee weken op de bezwaarschriften te beslissen en aanspraak gemaakt op de verbeurde dwangsom. Er ontbrak een wettelijke plicht om de dwangsombeschikking reeds op 21 juli 2011 te geven, hierdoor is er geen grond voor het oordeel dat het ontbreken van de dwangsombeschikking in of bij het bestreden besluit ertoe leidt dat dit besluit in zoverre onrechtmatig was. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk is verklaard, omdat appellant de bezoldiging over de maanden november en december 2010 alsnog heeft ontvangen en dus geen belang meer had bij zijn bezwaar. De minister heeft redelijkerwijs niet binnen redelijke termijn een mogelijkheid tot duurzame re-integratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van de ambtenaar mogen verwachten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen