CRvB 19 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1466

Buitenlandbijdrage ZVW over de jaren 2007 en 2008. Nederland is ingevolge artikel 69 van de Zvw en de Regeling Zorgverzekering in verbinding met artikel 33 van Vo 1408/71 bevoegd een bijdrage te heffen op de [pensioen]-uitkering van appellant. Nu gesteld noch gebleken is dat op het bovenwettelijk pensioen van appellant een dubbele bijdrageheffing heeft plaatsgevonden en evenmin dat de heffing van de buitenlandbijdrage over het inkomen van appellant hoger was dan zijn AOW-pensioen, heeft Nederland de bevoegdheid om ingevolge artikel 69 van de Zvw en de Regeling Zorgverzekering in verbinding met artikel 33 van Vo 1408/71 een buitenlandbijdrage te heffen over het bijdrage-inkomen van appellant. Niet kan worden gezegd dat artikel 33 van Vo 1408/71 geen basis biedt voor de heffing en inhouding van de buitenlandbijdrage zoals deze in de Nederlandse wettelijke regelingen heeft vorm gekregen (vergelijk het Hof in het arrest van 14 oktober 2010, Van Delft e.a., C-345/09, punt 69 e.v.) dan wel dat Nederland hiermee het Unierecht niet heeft geëerbiedigd. Bij de toepassing van de woonlandfactor is geen sprake van een overduidelijke onevenredigheid bij de ongelijke behandeling van bijdrageplichtigen, zoals appellant, en in Nederland woonachtige premieplichtigen. Geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel en evenmin met het verbod van willekeur.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen