CRvB 7 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5477
Wsf. Vaststelling geen resterend recht als bedoeld in artikel 5.7, tweede lid, van de Wsf 2000 dat in de vorm van een gift kan worden verstrekt. Nu onbetwist is dat appellant voorafgaand aan de als postinitiële masteropleiding te beschouwen opleiding geen studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 heeft ontvangen, is er van een dergelijke resterende periode aan prestatiebeurs geen sprake. De omstandigheid dat appellant, zoals hij zelf heeft gesteld, de mogelijkheid van artikel 5.7, tweede lid, van de Wsf 2000 niet kan benutten omdat voor de eerder door hem gevolgde opleiding geen prestatiebeurs kon worden verstrekt omdat de huidige regeling van artikel 2.14 van de Wsf 2000 toen nog niet bestond, kan niet leiden tot een ander oordeel. Behoud van procesbelang bij nieuw besluit .
De uitspraak op rechtspraak.nl