CRvB 27 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9410

Ingevolge de Zvw zijn appellanten door Cvz als verdragsgerechtigden in de zin van Vo 1408/71 aangemerkt en hebben zij recht op zorg in hun woonland. Volgens Cvz komt dit recht op zorg ten laste van Nederland omdat appellanten geen pensioen uit het woonland ontvangen en zij van de landen waarvan zij een wettelijke pensioen ontvangen (gedurende hun werkzame leven) het langst voor de sociale zekerheid verzekerd zijn geweest in Nederland. Voor dit recht op zorg is een bijdrage verschuldigd, die wordt ingehouden op het Nederlandse pensioen. Appellanten hebben een E 121-formulier ontvangen om zich te laten inschrijven bij het orgaan van de woonplaats. Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat het Nederlandse uitvoeringsorgaan (Cvz) niet gerechtigd is de bijdrage op hun AOW-pensioen in te houden. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat zij recht hebben op pensioenen uit twee of meer lidstaten (waaronder niet het woonland) en dat ingevolge art. 28, lid 2, onder b, van Vo 1408/71 de verstrekkingen voor rekening komen van het bevoegde orgaan van de lidstaat aan de wettelijke regeling waaraan zij als rechthebbenden op die pensioenen het langst onderworpen zijn geweest. Appellanten betwisten niet dat zij het langst hebben gewerkt in Nederland en dat zij ook het langst onderworpen zijn geweest aan de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving, uitgezonderd de wettelijke ziektekostenverzekering, maar zijn van mening dat gezien de context van art. 28 van Vo 1408/71 met “de wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest” in het tweede lid, onder b wordt gedoeld op de wettelijke regeling inzake prestaties bij ziekte en moederschap. Raad: Het is de Raad op grond van de bewoordingen van art. 28, lid 2, onder b, van Vo 1408/71, niet volstrekt duidelijk wat met ”de wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest”, bedoeld wordt. Voorts is de Raad ook geen rechtspraak van het Hof bekend waarin die bepaling is uitgelegd. Ook de interpretatie van het Zweedse Hof (Hoogste Administratieve Hof in Zweden van 14 december 2011, nr. 4381-10) heeft de Raad niet ervan overtuigd dat dit Hof een onmiskenbaar juiste uitleg aan bedoelde bepaling heeft gegeven. Gezien de context en de doelstelling van de bepaling ziet de Raad, evenals de Rb., ook ruimte voor andere interpretaties. De Raad verzoekt het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in art. 267 van het VWEU antwoord te geven op de volgende vraag: Wordt met de wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest, in art. 28, lid 2, onder b, van Verordening (EEG) nr. 1408/71, gedoeld op de wettelijke regeling inzake prestaties bij ziekte en moederschap, de wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom of alle wettelijke regelingen betreffende de takken van sociale zekerheid genoemd in art. 4 van die Verordening die op grond van titel II van de verordening van toepassing zijn geweest?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen