CRvB 19 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8756

Intrekking bijstand en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Volgens vaste rechtspraak is het gebruik van beweerdelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen slechts dan niet toegestaan indien deze zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar wordt geacht. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich een dergelijke situatie voordoet. De bestuursrechter is bevoegd de grondslag van het besluit tot intrekking en terugvordering te toetsen. Dat aan de strafrechter de bevoegdheid toekomt om te toetsen of in het strafrechtelijk onderzoek de verdachte de hem toekomende bescherming is geboden, doet daaraan niet af. Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand. Er zijn bij dit onderzoek geen bijzondere bevoegdheden toegepast, zodat een aanwijzing als niet nodig was voor het uitvoeren van het onderzoek. Artikel 53a van de WWB is aan te merken als een toereikende wettelijke grondslag voor het huisbezoek in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Het beroep op het arrest van de Hoge Raad van 23 september 1992, LJN ZC5108 slaagt niet. De situatie die daar aan de orde was is niet vergelijkbaar met het hier verrichte onderzoek.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen