CRvB 4 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5323
De Svb heeft appellant met ingang van het tweede kwartaal van 2009 kinderbijslag geweigerd. Daarbij heeft de Svb overwogen dat appellant vanaf het tweede kwartaal van 2009 niet woont of werkt in Nederland. Het verblijf in Nederland vanaf 1 april 2009 is dermate kort geweest dat niet gesteld kan worden dat het middelpunt van het bestaan van appellant in Nederland ligt. Het middelpunt van het bestaan van appellant ligt in Marokko. Raad: In zijn arresten van 21 januari 2011 (LJN: BP1466) en 4 maart 2011 (LJN: BP6285) heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat de wetgever met het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten heeft beoogd aan te sluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip. Om te vermijden dat dit eenvormige begrip door de rechter in zaken betreffende de sociale zekerheid op een andere wijze wordt uitgelegd dan door de rechter in belastingzaken, is beroep in cassatie opengesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van de regels over de woonplaats in - onder andere – de artt. 2 en 3 van de AKW en de daarop gebaseerde bepalingen. Daarmee is de Hoge Raad aangewezen als de hoogste rechter met betrekking tot de uitleg van dit woonplaatsbegrip. De Hoge Raad heeft overwogen dat voor de beoordeling waar iemand woont, acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band behoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. De Hoge Raad heeft in dit verband verwezen naar zijn arrest van 22 december 1971, BNB 1973, 120, (LJN:AX4909) In dat arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat art. 4, lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen - waarin evenals in art. 3, lid 1 van de AKW is neergelegd dat waar iemand woont, naar de omstandigheden wordt beoordeeld - niet uitsluit dat, beoordeeld naar de omstandigheden, iemand tegelijkertijd zowel met Nederland als met een ander land een zo duurzame betrekking van persoonlijke aard onderhoudt dat hij gezegd moet worden in beide landen te wonen. Uit de hierboven weergegeven overwegingen van de Hoge Raad leidt de Raad af dat de Hoge Raad geen ruimte ziet voor een andere uitleg van het woonplaatsbegrip bij de uitvoering van de sociale verzekeringswetten dan onder de belastingwetgeving. De Raad kan de Svb dan ook niet volgen in zijn standpunt dat binnen de sociale zekerheid voor een andere invulling van dit begrip moet worden gekozen, waarbij een dubbele woonplaats is uitgesloten. Ook voor de toepassing van de AKW dient derhalve aan de hand van de door de Hoge Raad gegeven criteria te worden beoordeeld of de betrokkene ten tijde van belang zijn woonplaats in Nederland had. I.c. is de Raad van oordeel dat appellant op de in geding zijnde peildata (ook) woonplaats in Nederland had. Aangevallen uitspraak vernietigd. De Svb dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl