CRvB 30 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BV0735

Afwijzing ZEZ-uitkering. De Raad oordeelt, evenals de Hoge Raad, dat het Vrouwenverdrag en de Zelfstandigenrichtlijn er niet aan in de weg staan dat de Wet Zez niet moet terugwerkende kracht wordt toegepast. Het onderscheid tussen (moeders van) kinderen geboren voor en na 4 juni 2008, welk onderscheid hier in geding is, is niet als een door het EHRM van belang geacht verdacht onderscheid te beschouwen, zodat de aan de Staat toekomende beoordelingsvrijheid ook in zoverre een ruime is. De motivering van de wetgever om de uitkeringen bij zwangerschap en bevalling niet met terugwerkende kracht toe te kennen, vormt een voldoende rechtvaardiging vormt voor het gemaakte onderscheid. Geen sprake van een schending van de artikelen 14 van het EVRM, 26 van het IVBPR en artikel 2 van het IVRK. Van een schending van artikelen 3 en 24 van het IVRK is in dit geval geen sprake, nu gesteld noch gebleken is dat aan appellantes kinderen het genot van gezondheid en van voorzieningen daaromtrent is onthouden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen