CRvB 30 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6530

Tussenuitspraak. Opzegtermijn. Opvolgend werknemerschap. Voor het in aanmerking nemen van artikel 7:668a, tweede lid, van het BW voor de vaststelling van de lengte van de opzegtermijn bestaat geen aanleiding. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 september 2011, LJN BR2157 overweegt de Raad dat sedert de invoering van de Wet flexibiliteit en zekerheid het systeem van berekening van de opzegtermijn is gewijzigd in de zin dat artikel 7:672 van het BW uitgaat van de duur van de arbeidsovereenkomst op de dag van opzegging en dat elke arbeidsovereenkomst afzonderlijk moet worden bezien. Voor de berekening van de ten aanzien van appellant geldende opzegtermijn moet worden uitgegaan van de duur van zijn arbeidsovereenkomst met werkgever en niet kan worden teruggerekend tot de datum waarop appellant in dienst trad van werkgever 1. Uitgaande van de duur van de arbeidsovereenkomst van appellant met werkgever bedroeg de opzegtermijn één maand. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien omdat voor de bepaling van het recht op WW-uitkering van appellant met ingang van 1 augustus 2008 gegevens nodig zijn waarover de Raad niet beschikt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen