CRvB 18 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5527
Ontslag. Plichtsverzuim. Appellant heeft zichzelf en ook anderen in de opbouwfase van de vaste toelage voor onregelmatige diensten (TOD) waarop volgens het vierde lid van artikel 17 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bij het bereiken van de leeftijd van 55 jaar aanspraak bestaat, onevenredig vaak ingeroosterd voor onregelmatige diensten. Dit heeft geleid tot volgens de minister ongerechtvaardigd hoge vaste TOD voor appellant en anderen. Verder heeft appellant heeft bewerkstelligd dan wel toegelaten dat op grote schaal ruilingen van ingeroosterde diensten plaatsvonden. In de omstandigheden van dit geval en in aanmerking genomen dat de minister in dit verband ten onrechte groot gewicht heeft toegekend aan het feit dat appellant (anders dan de collega’s) de roosters verzorgde, moet het er voor gehouden dat het plichtsverzuim van appellant niet ernstiger is dan dat van de collega’s bij wie de minister met het opleggen van een schriftelijke berisping heeft volstaan. De minister heeft ten aanzien van appellant dus in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld. Vernietiging bestreden besluit. De Raad voorziet zelf. De Raad legt appellant de disciplinaire straf van schriftelijke berisping op.
De uitspraak op rechtspraak.nl