CRvB 5 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4798
Bijdrage voor het recht op zorg. Prejudiciële vraag met betrekking tot het keuzerecht. De artikelen 28, 28 bis en 33 van verordening (EEG) nr. 1408/71 moeten aldus worden uitgelegd dat daarmee niet onverenigbaar is een wettelijke regeling van een lidstaat zoals aan de orde in de hoofdgedingen, op grond waarvan een rechthebbende op pensioen of rente verschuldigd krachtens de wetgeving van die staat, die woont in een andere lidstaat, waar hij krachtens voormelde artikelen 28 en 28 bis recht heeft op verlening van verstrekkingen bij ziekte door het bevoegde orgaan van die lidstaat, in de vorm van een inhouding op dat pensioen of die rente een bijdrage uit hoofde van die verstrekkingen moet betalen, ook al is hij niet ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonstaat.” Het betoog van appellant met betrekking tot het keuzerecht slaagt niet. Hoogte van de bijdrage. Het verstrekkingenniveau is in Frankrijk in vergelijking met dat in Nederland weliswaar lager is, maar daar tegenover staat dat appellants bijdrage navenant lager is dan de Zvw-premie die ingezetenen van Nederland betalen. De late inschrijving bij de CPAM niet weg dat appellant vanaf 1 januari 2006 aan Vo 1408/71 aanspraak op zorg ten laste van Nederland ontleende en dat Nederland bevoegd was daarvoor een bijdrage te heffen. Van toezeggingen van de zijde van Cvz dat appellant geen bijdrage verschuldigd is, is niet gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl