CRvB 18 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0267
Rechtspositieregelingen die bij ziekte de opbouw van het recht op vakantie beperken zonder minimum waarborg van vier weken, zijn in strijd zijn met het EU-recht. 1. Artikel 7, eerste lid, van EG-richtlijn 2003/88, volgens welke bepaling elke werknemer recht heeft op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken, is onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig bepaald om door particulieren voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen, ten einde de toepassing van nationale bepalingen die niet met artikel 7, eerste lid, van richtlijn 2003/88 stroken, te verhinderen. Artikel 7, eerste lid, van richtlijn 2003/88 is niet, althans niet op juiste wijze in het hier toepasselijke nationale recht is geïmplementeerd. Betrokkene komt daarom een rechtstreeks beroep toe op deze bepaling. 2. Artikel 6:2:5 van het Ambtenarenreglement Haarlem 1995 is, voor zover in dit artikel de aanspraak op vakantie afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de werknemer in de betreffende periode daadwerkelijk heeft gewerkt, niet in overeenstemming met artikel 7, eerste lid, van richtlijn 2003/88, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C-350/06 en C-520/06, NJ 2009, 252. Genoemde bepaling staat er immers aan in de weg dat betrokkene het, rechtstreeks uit de richtlijn 2003/88 voortvloeiende, recht op jaarlijkse vakantie van vier weken met behoud van loon wordt toegekend. Dit recht mag immers niet van enigerlei voorwaarde afhankelijk worden gesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl