CRvB 22 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9528

Tussenuitspraak. Weigering WW-uitkering toe te kennen. Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie onder andere CRvB 18 februari 2009, LJN BH2387) dat voor de vaststelling van een arbeidsrechtelijke dringende reden een beoordeling nodig is van onder meer de subjectieve dringendheid van de ontslagreden. In dit verband is het volgende van belang. Appellant is op 24 november 2008 door de politie aangehouden. Op 27 november 2008 heeft de werkgever hem geschorst, waarna een disciplinair onderzoek is gestart. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij op 18 december 2008 door de werkgever is gehoord en dat hij in die hoorzitting heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de verweten gedragingen. Vervolgens is appellant op 12 februari 2009 door de strafrechter veroordeeld. Op 12 mei 2009 heeft de werkgever het voornemen om appellant eervol te ontslaan wegens ongeschiktheid voor zijn functie aan appellant kenbaar gemaakt, waarna op 25 juni 2009 het in 1.1 genoemde ontslagbesluit is gevolgd. Het Uwv heeft niet weersproken dat de werkgever vanaf 18 december 2008 omtrent de aan appellant verweten gedragingen geen twijfels meer had. Het is de Raad niet gebleken dat de gedragingen van appellant voor de werkgever een dringende reden vormden. De Raad onderkent dat in organisaties als die van werkgever enige tijd nodig kan zijn alvorens (definitieve) rechtspositionele stappen te ondernemen. Gezien echter het feit dat de werkgever, nadat appellant op 18 december 2008 had toegegeven de hem verweten gedragingen te hebben gepleegd, niet onverwijld actie heeft ondernomen om te komen tot een beëindiging van de aanstelling van appellant en het ontslagbesluit ook na de strafrechtelijke veroordeling nog enkele maanden op zich heeft laten wachten, is de Raad van oordeel dat sprake is van een ontslagreden waaraan de subjectieve dringendheid ontbreekt. Uit 4.3 en 4.4 volgt dat aan het ontslag van appellant geen arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt. Dat leidt tot de conclusie dat van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW geen sprake is. Het bestreden besluit dient dan ook wegens strijd met de wet te worden vernietigd.. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien omdat voor de bepaling van het recht op WW-uitkering diverse gegevens nodig zijn waarover de Raad niet beschikt. Het Uwv zal daarom met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet worden opgedragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen