CRvB 27 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO2645
Boete opgelegd van 25% van de ambtshalve vastgestelde premie wegens het niet tijdig indienen van de jaaropgave over het jaar 2004. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat de overtreding te wijten is aan opzet of grove schuld, nu betrokkene na twee herinneringsbrieven de jaaropgaven niet heeft ingezonden. De rechtbank heeft het besluit vernietigd. De rechtbank heeft een onjuiste uitleg en toepassing gegeven aan de IWfsv (LJN BL1640). Op grond van artikel 42, tweede lid, van de IWfsv blijft voor het in geding zijnde besluit tot het opleggen van een boete over 2004 het recht zoals dat vóór 1 januari 2006 gold van toepassing, met inbegrip van de Awb en de Beroepswet. Dit brengt mee dat het besluit door appellant bevoegd is genomen en dat de rechtbank en de Raad bevoegd zijn te beslissen op het (hoger) beroep tegen het op bezwaar genomen besluit. Vast staat dat betrokkene niet tijdig heeft voldaan aan de voor haar op grond van artikel 10, tweede lid, van de CSV geldende verplichting tot het doen van loonopgave. Hieruit vloeit voort dat appellant op grond van artikel 12 van de CSV gehouden was betrokkene een boete op te leggen. Ten onrechte is de boete gebaseerd op de kwalificatie opzet of grove schuld. De boete bij het niet tijdig indienen van de jaaropgave bedraagt in het geval van een verzuim en een eerste overtreding 5% van de verschuldigde premie. De aan betrokkene opgelegde boete is aan te merken als straf in de zin van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). In artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR is bepaald dat, indien na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren. Er valt geen verandering van wetgeving aan te wijzen die voorziet in een lichtere straf, zoals in artikel 15, eerste lid, van het IVBPR bedoeld.
De uitspraak op rechtspraak.nl