CRvB 21 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1640
Boete oplegging wegens het niet tijdig indienen van de jaaropgaven over 2004. Toepasselijk recht. Op het besluit inzake het opleggen van boeten over 2004 blijft het recht zoals dat vóór 1 januari 2006 gold van toepassing, met inbegrip van de bepalingen van de Awb en de Beroepswet. Primaire besluiten zijn door het Uwv bevoegd genomen en de rechtbank en de Raad zijn bevoegd te beslissen op het (hoger) beroep betreffende dat besluit op bezwaar. Het bezwaar tegen het besluit van 22 november 2005 is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit heeft ook gevolgen voor de reikwijdte van de toetsing van het na bezwaar gehandhaafde besluit van 8 augustus 2006. Dat besluit is slechts op zelfstandig rechtsgevolg gericht wat betreft de vaststelling door het Uwv dat herberekening van de opgelegde boete van 37,5 % aan de hand van de alsnog ingezonden jaaropgaven 2004 niet leidt tot een ander boetebedrag dan € 10.983,75. Daarom is de aan de Raad toekomende beoordeling beperkt tot de vraag of het Uwv terecht het bedrag van de boete heeft gehandhaafd. Aangezien de op basis van die jaaropgaven verschuldigde premie hoger is dan de eerder bij besluit van 27 juni 2005 ambtshalve vastgestelde premie, beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. De aan betrokkene opgelegde boete is aan te merken als straf in de zin van IVBPR. Artikel 15 van het IVBPR mist in dit geval toepassing.
De uitspraak op rechtspraak.nl