CRvB 12 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7314

Appellant heeft vanaf de (voorwaardelijke) herroeping van het strafontslag bij besluit van 18 augustus 2006 de gelegenheid gehad om met de dienst onverenigbare (neven)werkzaamheden af te bouwen. Appellant heeft moeten beseffen dat van de minister niet kan worden verwacht dat hij appellant toestond ongetoetste (neven)werkzaamheden te verrichten, terwijl het verrichten van nevenwerkzaamheden zonder toestemming juist één van de gronden was waarop het strafontslag in 2004 was gebaseerd. Appellant had dus de hem opgedragen werkzaamheden op 15 januari 2007 onvoorwaardelijk dienen aan te vangen. Nu appellant dat niet heeft gedaan is er naar het oordeel van de Raad sprake van in strijd met de verplichtingen opzettelijk nalaten de dienst te verrichten. Zeker gelet op de reeds eerder gegeven sommaties heeft de minister terecht met toepassing van artikel 14 van het ARAR de betaling van bezoldiging over de periode 15 januari 2007 tot 26 februari 2007 gestaakt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen