CRvB 28 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM6168
1) Aanwijzingen betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige, als bedoeld in art. 258, lid 1, Boek 1 van het BW, zijn niet vatbaar voor beroep ingevolge artikel 8:5, eerste lid, en onderdeel A, onder 3 van de bijlage bij de Awb. Er kan ingevolge artikel 7:1 van de Awb ook geen bezwaar tegen worden gemaakt. Besluit wordt vernietigd met instandlating rechtsgevolgen, omdat de Stichting aan de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar ten onrechte artikel 8:5 van de Awb en onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Awb ten grondslag heeft gelegd. 2) Hulpverleningsplan. Het hulpverleningsplan zelf bevat, los van het daaraan ten grondslag liggende indicatiebesluit, geen rechtsgevolgen en is uitsluitend programmatisch van aard. Op grond van het vorenstaande oordeelt de Raad dat de Stichting op goede gronden het bezwaar gericht tegen het handelen van de Stichting, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, en onder g, van de WJZ niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu dit handelen niet op rechtsgevolg is gericht en uitsluitend feitelijk van aard is. 3) Een plan van aanpak inzake (gezins)voogdij als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de WJZ is niet op rechtsgevolg gericht en kan daarom niet als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb worden aangemerkt (LJN BI8296). Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. 4) Geen grondslag voor proceskostenveroordeling.
De uitspraak op rechtspraak.nl