CRvB 7 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3936

Het Uwv heeft bij besluit van 8 juli 2004 aan appellante toestemming verleend om met ingang van 1 juli 2004 het risico van betaling van WAO-uitkeringen zelf te dragen (toestemmingsbesluit). Bij twee afzonderlijke besluiten van 21 maart 2006 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij over de periode van 1 juli 2004 tot en met 1 november 2005 onderscheidenlijk de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 april 2005 de aan de werknemer betaalde WAO-uitkering ten bedrage van € 14.658,13 respectievelijk het hem betaalde vakantiegeld ten bedrage van € 764,72 dient terug te betalen (hierna: de verhaalsbesluiten). Wat betreft de aanvraag is de Raad van oordeel dat de onjuiste tenaamstelling in dit geval niet anders kan worden begrepen dan te zijn een kennelijke verschrijving met als gevolg dat het er voor moet worden gehouden dat appellante deze aanvraag heeft gedaan. Naast hetgeen de rechtbank ter zake heeft vastgesteld over de ondertekening van de aanvraag, wijst de Raad erop dat op het aanvraagformulier het adres en de postcode van appellante juist zijn ingevuld. Voorts komt de uitleg in het verweerschrift over het in de aanvraag vermelde aansluitnummer van appellante de Raad niet onaannemelijk voor. Deze uitleg houdt in dat met de vorming van het Uwv de voorheen gebezigde aansluitnummers, bestaande uit 9 cijfers, zijn omgezet in een nummer met 15 cijfers, hetgeen in het geval van appellante betekende dat aan haar aansluitnummer de cijfers 003000 voorafgaan. Ten slotte heeft het Uwv op 7 april 2004 aan appellante een bevestiging van de ontvangst van de aanvraag gezonden. Hierop is, afgaande op de stukken, van de zijde van appellante niet gereageerd met de mededeling dat niet zij een aanvraag had ingediend. De Raad is wat betreft de ontkenning door appellante van de ontvangst van het toestemmingsbesluit – in lijn met zijn ook door het Uwv in het verweerschrift vermelde uitspraak van 8 mei 2009 (LJN BI4660) - van oordeel dat deze ongeloofwaardig is. Ten aanzien van het ontbreken van het toerekeningsbesluit (zijnde het op grond van artikel 75a, vierde lid, van de WAO te nemen besluit waarbij aan de betreffende werkgever de betaling van de WAO-uitkering van de betreffende werknemer wordt toegerekend) stelt de Raad vast dat dit besluit niet, zoals door het Uwv is bepleit, impliciet kan worden gelezen in de verhaalsbesluiten. Nog daargelaten dat de bewoordingen van de verhaalsbesluiten daarvoor geen enkel aanknopingspunt bieden, kan er naar het oordeel van de Raad niet aan worden voorbijgezien dat het voorhanden zijn van een toerekeningsbesluit een onontbeerlijke voorwaarde is voor het nemen van verhaalsbesluiten. In het toerekeningsbesluit vindt immers, zoals ook in de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2006 (LJN AZ1027) naar voren komt – bij welke uitspraak de Raad anders dan voorheen ook de toerekening als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangemerkt – de toerekening plaats nadat is vastgesteld dat aan de in artikel 75a, eerste tot en met derde lid, van de WAO gestelde voorwaarden is voldaan. Het ontbreken van het toerekeningsbesluit brengt dan ook mee dat in dit geval zonder een deugdelijke wettelijke grondslag door het Uwv verhaalsbesluiten zijn genomen en gehandhaafd. Het bestreden besluit moet dan ook worden vernietigd wegens strijd met artikel 75a, vierde lid, van de WAO. Om deze reden dienen ook de bezwaren tegen de verhaalsbesluiten gegrond te worden verklaard en dienen deze bij gebreke van een wettelijke grondslag te worden herroepen. Ook de aangevallen uitspraak kan, gelet op overweging 7.3.1, niet in stand blijven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen