CRvB 14 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM1179

Loonsanctie: geen bevredigend re-integratieresultaat, zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht. Opschorten aanvraag WIA-uitkering. Procesbelang. Uitspraak 1: Naar het oordeel van de Raad is aannemelijk dat de werkgeefster onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Gelet op de omstandigheden acht de Raad niet aannemelijk dat in juli 2006 de re-integratie in het eigen bedrijf voldoende concreet perspectief bood op hervatting in werk dat aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer, zodat in redelijkheid van de werkgeefster kon worden gevergd dat zij het tweede spoor van het re-integratietraject zou inzetten. Naar het oordeel van de Raad is in de door de werkgeefster aangevoerde omstandigheden geen deugdelijke grond gelegen. De Raad verenigt zich met hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. De Raad concludeert dat de rechtbank een onjuiste uitleg aan artikel 25, negende tot en met veertiende lid, van de Wet WIA heeft gegeven. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond. Uitspraak 2: Uit de wettelijke bepalingen volgt dat het opleggen van de loonsanctie meebrengt dat de behandeling van de uitkeringsaanvraag wordt opgeschort. De Raad ziet niet in dat - omgekeerd - het slagen van het (hoger) beroep tegen de handhaving van het opschortingsbesluit gevolgen kan hebben voor het loonsanctiebesluit. Ook is de Raad niet gebleken dat het slagen van het onderhavige (hoger) beroep voor de werkgeefster enige feitelijke betekenis kan hebben. Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van procesbelang. Vernietiging uitspraak. Beroep niet-ontvankelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen