CRvB 28 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1447
Herziening WAO-uitkering. Bij brief van 23 november 2006 heeft appellant aan betrokkene de re-integratievisie toegestuurd, waarin de afspraken zijn vastgelegd die hij met de arbeidskundige heeft gemaakt. De Raad is allereerst van oordeel dat appellant niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om ook in het voorliggende geval een re-integratievisie op te stellen. Hij verwijst daarvoor naar het in 3.2 en 3.6 overwogene. Verwijzende naar zijn uitspraak van 10 december 2008, LJN BG8911 (AB 2009, 43 en USZ 2009/47), stelt de Raad voorop dat een re-integratievisie als de onderhavige een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb in zoverre deze is gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. Daarvan kan sprake zijn als uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen in de re-integratievisie zodanig worden uitgewerkt dat kan worden gesteld dat met de re-integratievisie is beoogd een zelfstandig rechtsgevolg te doen ontstaan. De voorliggende re-integratievisie mondt onder punt 14 uit in de conclusie dat appellant een re-integratietraject zonder scholing vergoedt. Door betrokkene aldus mee te delen dat hij (vooralsnog) niet voor scholing in aanmerking komt, heeft naar het oordeel van de Raad aldus een rechtsvaststelling plaatsgevonden met betrekking tot betrokkenes aanspraken op re-integratie. De re-integratievisie is naar het oordeel van de Raad in zoverre op rechtsgevolg gericht, zodat de rechtbank ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de onderhavige re-integratievisie niet kan worden aangemerkt als een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat betrokkene niet kan worden ontvangen in zijn bezwaar. Het hoger beroep van appellant slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit met betrekking tot de re-integratievisie, komt bijgevolg voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de re-integratievisie beoordelen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden. De Raad overweegt dienaangaande als volgt. Betrokkene betoogt in essentie dat onvoldoende aandacht is besteed aan zijn re-integratie en dat het re-integratietraject opnieuw dient te worden uitgestippeld, rekening houdend met een maximaal te bereiken arbeidsduur van 20 uur per week. Zoals hierna onder 4.3 en 4.4 wordt overwogen, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de herziening van de uitkering, in rechte stand kan houden. Mitsdien is er ook vanuit die invalshoek geen grond tot een andere re-integratievisie te komen. Daaruit vloeit voort, dat het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de re-integratievisie in rechte stand kan houden. Hetgeen hiervoor onder 3.11 is overwogen, leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep van betrokkene tegen de re-integratievisie gegrond is verklaard, het bestreden besluit is vernietigd en het gemaakte bezwaar tegen de re-integratievisie niet-ontvankelijk is verklaard met de bepaling dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en dat het beroep van betrokkene ongegrond dient te worden verklaard. De Raad overweegt dat hij in het hoger beroep van betrokkene geen aanknopingspunten heeft gezien voor een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gegeven. In de voorhanden zijnde gegevens ziet de Raad voorts genoegzaam steun voor het oordeel dat de belasting in de aan betrokkene voorgehouden functies de belastbaarheid van betrokkene niet te boven gaat en dat deze functies voor hem in medisch opzicht geschikt zijn te achten.
De uitspraak op rechtspraak.nl