CRvB 31 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7705
Opschorting, Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Appellante was bij brief van 25 juni 2005, tijdens een eerdere periode van bijstandsverlening, geïnformeerd over de gevolgen van tijdelijk verblijf in het buitenland en wat zij moest doen na terugkomst. Het had haar redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij haar verblijf in Engeland zelf had moeten melden. Het College heeft zich blijkens het besluit van 5 maart 2008 op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van appellante niet is vast te stellen, omdat begin- en einddatum van het verblijf in het buitenland onduidelijk zijn gebleven. De Raad volgt het College hierin niet. Appellante heeft aannemelijk gemaakt dat zij niet langer dan 20 dagen in het buitenland heeft verbleven. Nu het College ter zitting erkend heeft dat er in 2006 geen ander verblijf in het buitenland bekend is, kan het College niet volhouden dat het recht op bijstand van appellante in verband met buitenlands verblijf in de hier te beoordelen niet is vast te stellen. Het besluit van 5 maart 2008 berust in zoverre niet op een draagkrachtige motivering. Dit voert tot de conclusie dat het beroep tegen het besluit van 5 maart 2008 gegrond moet worden verklaard. Dat besluit zal wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd. Het College zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 juni 2006 met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij zal het College ook aandacht moeten besteden aan het verzoek om schadevergoeding en aan de eerder door hem toegewezen, maar bij de aangevallen uitspraak vernietigde toekenning van vergoeding van kosten in bezwaar. Proceskosten veroordeling.
De uitspraak op rechtspraak.nl