CRvB 4 juli 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE5831
Belang bestuursorgaan bij hoger beroep; voorwaardelijk karakter hoger beroep. Volledige toetsing art. 54 Barp. De rechtbank was, anders dan verweerder, van oordeel dat een aan agent overkomen ongeval aangemerkt moest worden als dienstongeval. Verweerder gaat hiertegen in hoger beroep en heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit genomen waarbij het ongeval alsnog als dienstongeval werd beschouwd. Gedaagde is van oordeel dat appellant hierdoor geen belang meer heeft. Centrale Raad van Beroep: Appellant was gehouden ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit te nemen. Hij heeft door de duidelijke verwijzing naar de aangevallen uitspraak en het vrijwel gelijktijdig instellen van hoger beroep het voorwaardelijk karakter voldoende duidelijk gemaakt, zodat door het nadere besluit nog niet definitief is komen vast te staan dat het om een dienstongeval gaat. Derhalve heeft appellant belang bij het hoger beroep gehouden. Voorts is namens appellant nog aangevoerd dat de rechtbank., nu zij het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek heeft vernietigd, hem wegens de formele aard van dat gebrek de vrijheid had moeten laten om bij het nieuwe besluit zijn oordeel dat niet van een dienstongeval sprake was op andere gronden te handhaven. Namens appellant is gesteld dat de rechtbank, door zelf vast te stellen dat van een dienstongeval sprake was, het nieuw te nemen besluit op bezwaar ten onrechte reeds materieel heeft ingevuld. Reeds daarom zou de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven. Ook deze grief ziet de Raad niet slagen. Ter zake van de vaststelling of van een dienstongeval in de zin van art. 54 van het Barp sprake is, is de korpsbeheerder geen door de rechter te respecteren beoordelings- of beleidsvrijheid gegeven. De rechtbank was derhalve verplicht appellants oordeel dat niet van een dienstongeval sprake was, volledig te toetsen. Dit brengt mee dat, nu appellants oordeel die volledige toetsing niet doorstond, voor appellant rechtens niet meer de ruimte bestond - en de rechtbank derhalve die ruimte ook niet kon bieden - om bij het nieuw te nemen besluit alsnog op andere gronden bij zijn oordeel te blijven. De omstandigheid dat de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met art. 7:12 Awb heeft vernietigd, kan niet betekenen dat de rechtbank appellant vorenbedoelde ruimte wel had moeten bieden. Deze uitspraak is met een materieel selectiemotief opgenomen in deze Nieuwsbrief onder nummer 264. Korpsbeheerder politieregio Haaglanden, appellant. mrs. H.A.A.G. Vermeulen, J.H. van Kreveld, K. Zeilemaker
De uitspraak op rechtspraak.nl