CRvB 22 februari 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB0952
Aanstelling in de zin van art. 7.4.a. BBRA. Gedaagde is m.i.v. 15 februari 1994 aangesteld in schaal 8 met salarisnummer 2 en periodiekdatum 1 februari. Met ingang van 1 januari 1995 is zij ingedeeld in schaal 10, salarisnummer 3 met periodiekdatum 1 februari. Met ingang van 1 januari 1996 is gedaagde in schaal 11 ingedeeld met salarisnummer 0 en periodiekdatum 1 januari. Gedaagde is van mening dat de periodiekdatum 1 februari dient te zijn. De rechtbank volgde het standpunt van gedaagde inhoudend dat bij de bepaling van de periodiekdatum is miskend dat zij nadat zij per 1januari 1996 in schaal 11 was ingedeeld, ingevolge art. 7.4.a BBRA 1984 reeds op 1 februari 1996 aanspraak op haar eerste periodieke verhoging in die schaal had. Raad: In art. 7.4.a, BBRA 1984, ligt de hoofdregel besloten dat bij indiensttreding van de ambtenaar als datum voor de jaarlijkse verhogingen in de daarbij toegekende schaal geldt de eerste dag van de maand waarin de ambtenaar in dienst is getreden en dat bij indeling in een nieuwe schaal als periodiekdatum geldt de eerste dag van de maand met ingang waarvan hij in de nieuwe schaal is ingedeeld. Het vijfde lid geeft de bevoegdheid om in afwijking van deze hoofdregel een eerder tijdstip te bepalen. Anders dan gedaagde en de rechtbank kan de Raad uit de term „aanstelling" in art. 7.4.a BBRA 1984 niet afleiden dat de maand van aanvang van het dienstverband voor de periodiekdatum bepalend blijft ook als de ambtenaar door het bevoegd gezag in een andere functie wordt aangesteld of in verband met een zwaarder niveau van functievervulling in een andere schaal wordt ingedeeld. Immers de strekking van art. 7.4.a, is dat de ambtenaar na één of meer volle jaren goed functioneren op het niveau dat behoort bij de schaal die voor hem geldt, als regel steeds aanspraak heeft op een jaarlijkse verhoging in die schaal. Gezien die strekking kan de Raad aan het gebruik van de term „aanstelling" in art. 7.4.a, niet de betekenis hechten die gedaagde en de rechtbank daaraan hebben toegekend. Daarbij wijst de Raad er nog op dat ook het vervallen art. 10 BBRA 1984 ervan uitging dat bij indeling in een hogere schaal geen aanspraak bestond op toekenning van dezelfde periodiekdatum die voor de ambtenaar in zijn oude schaal gold. Het tweede lid van dat artikel beoogde immers mede de nadelen, die door toekenning van een andere periodiekdatum bij plaatsing in een andere schaal konden ontstaan, te verhelpen. Aan voormeld uitgangspunt stond toen evenmin in de weg dat in het toenmalige art. 7.2.a BBRA 1984, net als in het huidige art. 7.4.a, van dit artikel de term „aanstelling" werd gebruikt. Nu de in het bestreden besluit opgenomen periodiekdatum is gesteld op de eerste dag van de maand waarin gedaagde bij dat besluit in schaal 11 is ingedeeld, vloeit uit het vorenstaande voort dat dit besluit voorzover in beroep door gedaagde aangevochten met de van toepassing zijnde voorschriften in overeenstemming is. Dat appellant, toen hij gedaagde per 1 januari 1995 in schaal 10 indeelde, de periodiekdatum 1 februari is blijven hanteren die voor haar in schaal 8 gold, kan daaraan niet afdoen, te minder daar van de zijde van appellant is betoogd dat zulks op een fout berustte. Inleidend beroep alsnog ongegrond; aangevallen uitspraak vernietigd. Minister van Justitie, appellant. mrs. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers, J.H. van Kreveld, K. Zeilemaker
De uitspraak op rechtspraak.nl