CRvB 1 februari 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB0250
Nu een duuraanspraak in het geding is, acht de Raad het geboden bij de toetsing een splitsing tussen het verleden en de toekomst te maken. Deze uitspraak is tevens met een samenvatting op genomen in deze Nieuwsbrief onder nummer 210. Gedaagde heeft, nadat de Inkomensregeling (in 1990) was ingegaan, aanvankelijk niet om toekenning van de specialistentoelage verzocht omdat hij gelet op de criteria meende daarvoor niet in aanmerking te komen. Nadat hem in 1996 was gebleken dat in diverse gevallen de specialistentoelage wel was toegekend en vervolgens ook in stand was gelaten hoewel de betrokken psychiatrische specialisten niet of niet langer in de (Krijgsmacht Hospitaalorganisatie (KHO) werkzaam waren en niet of niet langer burgerpatiënten behandelden, heeft hij op 19 september 1996 alsnog met terugwerkende kracht tot 1990 om toekenning van de toelage verzocht. Dit verzoek is bij besluit van 3 februari 1997 afgewezen. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, is het bestreden besluit vernietigd, zijn bepalingen inzake de vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven en is gedaagde opgedragen met inachtneming van de overwegingen van die uitspraak bij wijze van beslissing op bezwaar een nieuw besluit te nemen. De rechtbank was van oordeel dat de afwijzing van gedaagdes verzoek niet als een weigering om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit kon worden aangemerkt, nu gedaagde niet eerder om toekenning van de toelage had verzocht. Wel was zij van opvatting dat, nu gedaagde zijn rechtspositionele situatie jarenlang niet had aangevochten, voor de conclusie dat het bestreden besluit rechtens niet houdbaar was gelet op de rechtszekerheid van gedaagde de gebreken des te manifester moesten worden aangetoond. Zij kwam in het licht hiervan tot de slotsom dat gedaagde op gelijke wijze behandeld had moeten worden als de evenmin in de KHO werkzame psychiater C aan wie de specialistentoelage bij besluit van 22 maart 1995 met terugwerkende kracht tot 1 juli 1994 was toegekend. Gedaagde heeft zich neergelegd bij het oordeel van de rechtbank dat appellant met terugwerkende kracht tot 1 juli 1994 kon volstaan en heeft daarom geen hoger beroep ingesteld. Appellant voert tegen de aangevallen uitspraak aan dat de afwijzing van het verzoek van 16 september 1996 wel moest worden aangemerkt als een weigering om terug te komen van de rechtens onaantastbare besluiten inzake salarisbetaling van 16 juni 1990 en van elke daaropvolgende maand, nu in die besluiten de impliciete weigering besloten lag om gedaagde de specialistentoelage toe te kennen. Appellant betoogt voorts dat gedaagdes geval niet gelijk is aan dat van C, nu deze als medisch specialist was ingeschreven en om zijn inschrijving als specialist te behouden anders dan gedaagde wel in diensttijd burgerpatiënten behandelde. Appellant acht bepalend dat gedaagde niet als medisch specialist was ingeschreven, waardoor hij ook geen patiëntenbijdrage heeft kunnen derven. Hij wijst er op dat gedaagde weliswaar zijn functie tot volle tevredenheid heeft uitgeoefend, doch dat de specialistentoelage niet aan de uitoefening van de functie van psychiater is verbonden maar als een compensatie voor gederfde patiëntenbijdragen moet worden gezien. De Raad overweegt dienaangaande als volgt. Niet gezegd kan worden dat aan de maandelijkse salarisbetalingen sedert juni 1990 een of meer impliciete weigeringen ten grondslag liggen om gedaagde in het genot van de specialistentoelage te stellen. Gedaagde heeft immers tot 19 september 1996 nimmer om die toelage verzocht, terwijl appellant niet was gehouden haar ambtshalve toe te kennen. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de afwijzing van gedaagdes verzoek niet kan worden aangemerkt als een weigering om terug te komen van een rechtens onaantastbaar geworden besluit. Dat neemt niet weg dat die afwijzing in een geval als het onderhavige waarin gedaagde van de Inkomensregeling op de hoogte was en (aanvankelijk) in het niet toekennen van de toelage heeft berust, voor de toetsing door de rechter wel met een zodanige weigering op één lijn moet worden gesteld. Dat brengt mee dat de weigering om ondanks gedaagdes eerdere berusten alsnog tot toekenning over te gaan, terughoudend moet worden getoetst. De Raad acht het, nu een duuraanspraak in het geding is, geboden bij die toetsing een splitsing tussen het verleden en de toekomst te maken. Voorzover bij het bestreden besluit de weigering van de specialistentoelage over het tijdvak tot 19 september 1996 is gehandhaafd, dient de maatstaf te worden gehanteerd die bij rechterlijke toetsing van een weigering om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit gebruikelijk is. Dit betekent dat, nu appellant geen gebruik heeft gemaakt van de in art. 4:6 Awb vervatte bevoegdheid, het bestreden besluit voor wat betreft dit tijdvak moet worden geëerbiedigd tenzij aan dat deel van het bestreden besluit zodanige gebreken kleven of wel zich zodanige omstandigheden hebben voorgedaan dat appellant in redelijkheid niet tot de weigering had kunnen komen. Voorzover het bestreden besluit strekt tot handhaving van de weigering van de toelage over het tijdvak na 19 september 1996, moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Eerbiediging van de rechtszekerheid waarop ook appellant aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder gewicht dan voor het verleden. Daarom zal het bij een duuraanspraak als de onderhavige in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat aan de ambtenaar de omstandigheid, dat hij er kortere of langere tijd in heeft berust dat hem geen of een te lage aanspraak is toegekend, ook voor de toekomst blijvend zou kunnen worden tegengeworpen. Ook aan een bestuursorgaan kan, indien het een onjuist besluit inzake een duuraanspraak dat rechtens onaantastbaar is geworden wil herstellen, in de regel niet worden tegengeworpen dat dit zelfs voor de toekomst niet mogelijk is. Ingevolge 's Raads vaste rechtspraak laat het rechtszekerheidsbeginsel dan in de regel toe dat voor de toekomst ook voor de ambtenaar nadelig herstel plaatsvindt, zij het afhankelijk van het geval met inachtneming van een passende afbouwperiode. Het vorenoverwogene neemt niet weg dat in een geval als het onderhavige waarin de ambtenaar jarenlang heeft berust, ook het op de toekomst betrekking hebbende deel van de bestreden weigering - anders dan de Raad heeft overwogen in zijn uitspraken van 27 augustus 1998, gepubliceerd in TAR 1998, 153 en TAR 1999, 2 - niet aan een "volle" rechtmatigheidstoetsing moet worden onderworpen, maar aan de meer terughoudende toets of gezegd moet worden dat die weigering in zoverre niet op een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging berust. Staatssecretaris van Defensie, appellant. mrs. H.A.A.G. Vermeulen, A. Beuker-Tilstra, J.H. van Kreveld
De uitspraak op rechtspraak.nl