CRvB 25 juni 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6198
Krediethypotheek, waarde in het economisch verkeer, vrije oplevering, blote eigendom, zakelijk recht van gebruik en bewoning. Gelet op de bewoordingen en de geschiedenis van de tot standkoming ziet art. 7a ABW weliswaar op de situatie waarin de eigendom van de woning en het gebruiksrecht daarvan in een hand zijn, maar evenals de Raad van State ziet de Raad in een op de woning rustend zakelijk recht van gebruik en bewoning op zich geen beletsel voor toepassing van artikel 7a. Ingevolge artikel 2 BKH wordt het maximumbedrag van de geldlening onder verband van hypotheek bepaald op de waarde van de woning met bijbehorend erf, verminderd met de daarop drukkende schulden en de bij of krachtens de ABW vrij te laten vermogensbedragen. Artikel 4.1 BKH bepaalt dat ter vaststelling van de waarde van de woning met bijbehorend erf taxatie plaats vindt op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering. De RvS heeft in onder meer zijn uitspraak van 15-9-1988, nr. G04.87.0401.438E.88 [JABW 89/10] als zijn oordeel te kennen gegeven dat bij de toepassing van artikel 2 van het BKH het zakelijk recht van gebruik en bewoning als een op de woning drukkende last, gelijk te stellen met een op de woning drukkende schuld, in mindering dient te worden gebracht op de waarde bij vrije oplevering. De Raad ziet geen aanleiding met betrekking tot dit punt een ander standpunt in te nemen. Gedaagde is blijkens het bestreden besluit de mening toegedaan dat, nu niet is gebleken dat app. aan haar ouders betalingen verricht (zoals gesteld) vanwege hun recht op vruchtgebruik, de volledige executiewaarde bij eigen gebruik in dit geval is aan te merken als het aan appellante toebehorende vermogen. De Raad kan gedaagde hierin niet volgen. In het kader van de waardebepaling ingevolge art 4.1 BKH gaat het om de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering. Relevant is derhalve in een geval als het onderhavige, wat de waarde is van de blote eigendom c.q. het zakelijk recht van gebruik en bewoning, indien het pand aan derden verkocht zou worden, niet de vraag naar de waarde die het zakelijk recht vertegenwoordigt in de onderlinge verhouding tussen de blote eigenaar en de zakelijk gerechtigde. Door bij de vaststelling van de waarde van het in de woning vastgelegde vermogen van appellante uit te gaan van de executiewaarde bij eigen bewoning, heeft het College en daarmee ook gedaagde een onjuiste uitleg gegeven aan het bepaalde in artikel 4.1 juncto artikel 2 van het BKH. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven voor zover de bijstand is verleend in de vorm van krediethypotheek.
De uitspraak op rechtspraak.nl