CRvB 11 september 1980, ECLI:NL:CRVB:1980:AM5745

Contra legem. De CRvB acht niet gebleken dat de bestreden beslissing op zichzelf beschouwd, in het licht van de jurisprudentie geen stand zou kunnen houden, waar zij met de geldende, aan de organen van het ABPF te dezen geen beleidsvrijheid latende, wettelijke voorschriften naar CRvB's vorenbedoelde uitleg in overeenstemming is. Naar de CRvB evenwel reeds meermalen heeft uitgesproken, zijn echter bijzondere omstandigheden denkbaar, waarin strikte toepassing van een wetsbepaling in die mate in strijd zou komen met het ongeschreven recht, dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. De CRvB is, gelet op de omstandigheden van dit geval, tot de slotsom gekomen dat zich hier zo'n bijzonder geval voordoet. Aan een onder de werking van de Pensioenwet 1922 verzonden ‘inlichtingen’-bericht d.d. 19 maart 1952, waarin zonder voorbehoud wordt aangegeven welke tijdvakken als voor pensioen geldige diensttijd resp. als dubbeltellende diensttijd in aanmerking zullen komen, moet betekenis worden toegekend. De CRvB meent dat de verwachtingen die deze brief bij gedaagde heeft gewekt en in redelijkheid ook mocht en wel moest wekken, niet zodanig ten achter liggen bij de verwachtingen die een formele beslissing pleegt op te roepen, dat het niet honoreren van die verwachtingen op grond daarvan te rechtvaardigen zou zijn. De CRvB neemt voorts in aanmerking dat tussen de brief en het van de inhoud daarvan gedeeltelijk terugkomen een aanzienlijke tijd is verstreken. Tenslotte acht de CRvB het niet onaannemelijk dat gedaagde hetgeen in de brief is vervat aan dubbeltelling van pensioen destijds een rol van betekenis heeft laten spelen. De CRvB concludeert dat de brief verwachtingen heeft gewekt welke redelijkerwijs behoren te worden gehonoreerd en acht een bijzonder geval aanwezig.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen