CBb 7 april 2026, ECLI:NL:CBB:2026:140

Accountantstucht. Twee hoger beroepen. Het betreft een klacht tegen de accountants die zitting hadden in de Raad van Tucht (RvT) en de Raad van Beroep (RvB) van een vereniging. De klacht behelst in de kern het verwijt dat de accountants de tuchtrechtelijke procedure bij de RvT en de RvB, die door klagers was gestart tegen een lid van de vereniging, niet op zorgvuldige en onpartijdige wijze hebben gevoerd. De accountantskamer heeft de klacht voor zover deze ging over de accountants die zitting hadden in de RvB gedeeltelijk gegrond verklaard omdat zij geen afstand hebben genomen van de beslissing van de RvB om partijen niet mondeling te horen, terwijl een mondelinge behandeling was voorgeschreven in het Reglement op de Tuchtrechtspraak van de vereniging en de klagers daarom hadden verzocht. Het College onderschrijft de uitspraak van de accountantskamer. De hoger beroepen zijn ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken