CBb 2 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:446
Wet dieren. De slachterij heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank waarin haar beroepen tegen twee (in bezwaar grotendeels gehandhaafde) boetebesluiten ongegrond zijn verklaard. De minister had de boetes opgelegd omdat bij het slachten van een geit en een schaap de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid niet werd aangehouden tot bij de dieren de dood is ingetreden en het doden van dieren en de daarmee verband houdende activiteiten werd gedaan door personeel dat niet over het passende vakbekwaamheidsniveau beschikt om dit te kunnen doen zonder enige vermijdbare vorm van pijn, spanning, of lijden bij de dieren te veroorzaken. Het College is met de rechtbank van oordeel dat de slachterij de overtredingen heeft begaan en dat deze haar kunnen verweten. De daartegen gerichte hogerberoepsgronden slagen niet. Datzelfde geldt voor de hogerberoepsgrond dat de minister niet bevoegd was om de boetebesluiten te nemen, omdat de minister de slachterij ten onrechte tweemaal in 2017 een waarschuwing heeft gegeven. Weliswaar is de regelgeving waarvoor een waarschuwing was opgelegd nadien gewijzigd, maar dat doet in deze zaak niet af aan de bevoegdheid van de minister om een boete voor (nieuwe) overtredingen op te leggen. Er is namelijk geen sprake van veranderde regelgeving ten aanzien van de feiten waarvoor de slachterij wordt beboet. De hogerberoepsgrond over de overschrijding van de redelijke termijn slaagt en het College vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het de hoogte van de boetes betreft.
De uitspraak op rechtspraak.nl