CBb 13 mei 2025, ECLI:NL:CBB:2025:305
Hoger beroep. Boete wegens overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 13 van de Regeling diervoeders 2012 en artikel 11, aanhef en onder a of b, van de Verordening 183/2005. Appellant heeft ter zitting erkend dat sprake is van een overtreding van de genoemde voorschriften. Het College neemt de overtreding als vaststaand aan en is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de minister bevoegd was om appellant wegens de overtreding een boete op te leggen. De overtreding heeft wel degelijk een aanmerkelijk risico betekend voor de volksgezondheid, diergezondheid en het milieu. Voor een halvering van de boete of een andere matiging bestaat dan ook geen aanleiding. Evenals de rechtbank acht het College de opgelegde boete niet onevenredig en passend en geboden. Gelet op interventiebeleid van de minister heeft de minister terecht een boete opgelegd zonder eerst te waarschuwen.
De uitspraak op rechtspraak.nl