CBb 14 juni 2022, ECLI:NL:CBB:2022:301
Aan appellante zijn in 2017 wegens een overtreding van de Meststoffenwet bestuurlijke boetes van in totaal ruim € 234.000,- opgelegd. Uit individuele, bijzondere omstandigheden volgt naar het oordeel van het College dat de afwijzing van het verzoek van appellante om terug te komen van de boetebesluiten van 2017 evident onredelijk is. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het College voorziet vervolgens zelf in de zaak. Vast staat dat de financiële situatie van appellante noch in het kader van het voornemen tot boeteoplegging, noch bij het verzoek tot herziening van de boetebesluiten door de minister is onderzocht. Het College acht het aannemelijk dat het appellante aan financiële draagkracht ontbreekt om de in 2017 opgelegde boetes binnen een redelijke termijn te voldoen. Het totale boetebedrag wordt door het College vastgesteld op het bedrag dat tot op heden aan de minister is betaald.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CBb 25 januari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:46
- CBb 7 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1050
- CBb 27 juli 2021, ECLI:NL:CBB:2021:780
- CBb 3 november 2020, ECLI:NL:CBB:2020:781
- CBb 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:110
- CBb 14 januari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:27
- ABRvS 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3403
- CBb 23 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:167
- CBb 15 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:19
- CBb 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:652
- CBb 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:653
- CBb 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:654
- ABRvS 7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1507
- CBb 20 november 2014, ECLI:NL:CBB:2014:455
- HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:685
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:398