CBb 29 oktober 2024, ECLI:NL:CBB:2024:744

Hoger beroep. Boetezaak. De minister heeft appellante een boete opgelegd van € 4.000,-, omdat zij bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten er niet voor heeft gezorgd dat een kalf elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante de overtredingen heeft begaan en daarvoor terecht is beboet. Het beroep van appellante is alleen gegrond verklaard vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De aangevallen uitspraak wordt in verband met de verdere overschrijding van de redelijke termijn vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betreft en de rechtbank deze heeft vastgesteld op € 3.200,-. Het College stelt de hoogte van de boete vast op € 2.800,-. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken