CBb 10 september 2024, ECLI:NL:CBB:2024:629
In deze zaak ligt de vraag voor of sprake is van een essentiële wijziging van het project. Alles bij elkaar concludeert het College dat het project niet is uitgevoerd volgens het projectplan zoals is vereist op grond van artikel 37, eerste lid, van het Kaderbesluit. Het College volgt de minister in zijn standpunt dat sprake is van een essentiële wijziging van het project, waarvoor de onderneming ontheffing had moeten vragen ingevolge artikel 37, derde lid, van het Kaderbesluit. De onderneming doet een beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat zij erop heeft vertrouwd dat de minister haar de volledige subsidie zou verlenen. Hierbij handhaaft zij haar beroep op het rechtszekerheidsbeginsel niet als zodanig, maar als onderdeel van het beroep op het vertrouwensbeginsel. Daarnaast doet zij een beroep op het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, en het evenredigheidsbeginsel. Het beroep van de onderneming op deze beginselen van behoorlijk bestuur slaagt niet. Het College oordeelt dat de gevolgen van de lagere vaststelling en terugvordering voor de onderneming niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Dat de onderneming financieel nadeel lijdt als gevolg van de vaststelling, maakt het bestreden besluit op zichzelf niet onevenredig. De terugvordering betreft het bedrag waarop de onderneming geen aanspraak meer heeft, maar dat zij wel betaald heeft gekregen. Er zijn geen omstandigheden gebleken die de terugvordering desondanks onevenwichtig maken. Niet is gebleken dat het bestreden besluit tot onbeheersbare en onoverkomelijke financiële problemen heeft geleid voor de onderneming. Ook is gebleken dat de onderneming inmiddels nieuwe consortiumpartners heeft gevonden. Het College komt tot de conclusie dat de minister terecht de subsidie lager heeft vastgesteld en het onverschuldigd betaalde deel van het voorschot heeft teruggevorderd. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl