CBb 18 juni 2024, ECLI:NL:CBB:2024:409

Boete. De minister heeft aangetoond dat appellant artikel 3.4, eerste lid, van de Wet dieren heeft overtreden. Gelet op de toestand van de kadavers en de ouderdom die de toezichthouder daaruit heeft afgeleid, heeft de minister mogen concluderen dat bij appellant nooit de intentie heeft bestaan om de kadavers aan te geven bij Rendac, deze voor Rendac ter beschikking te houden en aan Rendac af te staan. Artikel 3.4, eerste lid, van de Wet dieren kan zelfstandig ten grondslag worden gelegd aan een boete. Dat de minister aanvankelijk ervoor heeft gekozen om aan de boete niet alleen een overtreding van artikel 3.4, eerste lid, van de Wet dieren ten grondslag te leggen, maar ook overtreding van de artikelen 3.22, eerste lid, en 3.23, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten, betekent niet dat de minister de boete niet meer uitsluitend kon baseren op een overtreding van artikel 3.4, eerste lid, van de Wet dieren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken