CBb 7 mei 2024, ECLI:NL:CBB:2024:329

Het College is met de rechtbank van oordeel dat de minister bevoegd was om de aan appellante verstrekte S&O-verklaring te corrigeren en daarbij de omvang van de correctie juist heeft bepaald. Verder is het College met de rechtbank van oordeel dat de aan appellante wegens het niet-voldoen aan de administratieplicht opgelegde boete van € 800,- passend en geboden is. Appellante heeft recht op een immateriële schadevergoeding van € 1500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het College ziet geen aanleiding om de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn te verminderen omdat deze minder dan € 1.000,- bedraagt. Hoger beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken