CBb 7 februari 2023, ECLI:NL:CBB:2023:55

Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (Verordening (EG) nr. 1/2005) en de daarbij behorende Bijlage I: artikel 3 en 8 Wet dieren: artikel 2.5 en 6.2 Regeling houders van dieren: artikel 4.8 Hoger beroep. Vangletsel bij kuikens. Appellante heeft vier boetes van € 3.000,- opgelegd gekregen, omdat zij als houder van pluimvee er niet voor zorgde dat de voorschriften met betrekking tot het behandelen van de dieren nageleefd werden. Door het vangen is onnodig pijn en letsel veroorzaakt bij de dieren. Er is geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de methode voor het vaststellen van vangletsel niet deugdelijk is. Over de algemene stelling van appellante dat een substantieel deel van de Nederlandse bevolking kleurenblind is en toezichthouders niet worden getest op kleurenblindheid heeft het College eerder geoordeeld dat die stelling onvoldoende is om aannemelijk te achten dat één of meer van de in deze zaken bij de inspecties betrokken toezichthouders in feite ook kleurenblind waren (zie de uitspraak van 29 maart 2022, ECLI:NL:CBB:2022:149). Daarbij komt dat, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, vangletsel niet enkel op basis van de kleur van een bloeding wordt vastgesteld, maar dat de toezichthouder ook kijkt ook naar de grootte en het type letsel. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat punt 4 van de Toelichting vangletseltelling slechts aanbevelingen bevat voor het opstellen van een rapport van bevindingen en dat het ontbreken van daar genoemde punten en waarnemingen in de rapporten van bevindingen niet betekent dat aan de juistheid van de rapporten moet worden getwijfeld. Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken