CBb 6 december 2022, ECLI:NL:CBB:2022:788
Verzoek om herziening van een boetebesluit. Volgens vaste rechtspraak is een uitspraak van een rechterlijke instantie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De door appellant aangehaalde uitspraken van het College van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:652, 653 en 654) zijn daarom geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in die zin. Verder is het besluit om niet terug te komen van het boetebesluit niet evident onredelijk. Appellant heeft erkend dat er geen bijzondere feiten of omstandigheden zijn die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de minister in zijn geval minder belang had moeten toekennen aan de rechtszekerheid dan aan het (financiële) belang van appellant bij heroverweging van het boetebesluit. Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank de minister had moeten veroordelen in de proceskosten van appellant in bezwaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CBb 14 juni 2022, ECLI:NL:CBB:2022:301
- CBb 7 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1050
- Rb. Midden-Nederland 23 april 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2277
- CBb 3 november 2020, ECLI:NL:CBB:2020:781
- CBb 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:110
- CBb 14 januari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:27
- CBb 30 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:185
- CBb 15 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:19
- CBb 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:652
- CBb 29 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:244
- ABRvS 7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1507