CBb 18 oktober 2022, ECLI:NL:CBB:2022:710
Onmiddellijke sluiting bedrijf wegens overtreding van hygiënevoorschriften en voorschriften over de identificatie van dierlijke bijproducten. Pas ruim achttien maanden later heeft verweerder het besluit om het bedrijf te sluiten op schrift gesteld. Hoewel het College van oordeel is dat de minister – gelet op de constateringen in het rapport van bevindingen – bevoegd was om het bedrijf te sluiten, is het College van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waaraan hij de bevoegdheid heeft ontleend om in dit geval over te gaan tot onmiddellijke sluiting. Ook was bij het treffen van deze maatregel sprake van veel tekortkomingen bij de verslaglegging. Het College is van oordeel dat de gebrekkige informatievoorziening van de kant van verweerder maakt dat appellante onvoldoende wist wat zij moest doen om de maatregel op te heffen. Ook blijkt niet dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van de nadelige gevolgen van de sluiting voor appellante in verband met het niet tijdig op schrift stellen van het besluit en de tekortkomingen bij het treffen van de maatregel. Doordat verweerder de maatregel pas op schrift heeft gesteld en aan appellante bekend heeft gemaakt na de opheffing van de sluiting, heeft verweerder appellante de mogelijkheid ontnomen om daartegen nog tijdens de sluiting bezwaar te maken en bij het College een voorlopige voorziening te vragen waarmee hij de maatregel vroegtijdig inhoudelijk had kunnen aanvechten. Zodoende heeft verweerder de toegang tot de rechter voor appellante gefrustreerd. Naar het oordeel van het College had verweerder dit voor appellante nadelige en zwaarwegende gevolg moeten betrekken in het besluit op bezwaar en in de beoordeling van de evenredigheid van de maatregel. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 (zorgvuldigheid) van de Awb en artikel 7:12, eerste lid (motivering), van de Awb. Het beroep is gegrond. Het College acht het – gelet op wat is overwogen, waaronder met name de gebrekkige verslaglegging aan de kant van verweerder – niet reëel dat verweerder de gebreken kan herstellen en acht het niet zinvol om verweerder daartoe de gelegenheid te bieden. Naar het oordeel van het College moet hieraan de conclusie worden verbonden dat het primaire besluit onrechtmatig is genomen en de maatregel bij het bestreden besluit ten onrechte is gehandhaafd. Het College heropent het onderzoek met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding van appellante.
De uitspraak op rechtspraak.nl