CBb 13 september 2022, ECLI:NL:CBB:2022:608
Invorderingsbesluiten. In de last onder dwangsom is appellante onder meer de maatregel opgelegd dat zij moet zorgen voor een voldoende ruim verblijf voor de honden die zij houdt. De last onder dwangsom en de maatregel die daarin is opgenomen bevat geen norm over de minimumafmeting van de hondenverblijven die appellante dient aan te houden om aan deze maatregel te volden. Omdat het voor appellante niet duidelijk is waaraan zij zich moest houden om te voldoen aan deze maatregel kan niet worden vastgesteld dat appellante de last op dit punt heeft overtreden. Verweerder heeft ten onrechte geconcludeerd dat de maatregel niet is uitgevoerd en dat een dwangsom is verbeurd. Voor wat betreft de overige maatregelen heeft verweerder terecht geconcludeerd dat deze niet zijn uitgevoerd en dat dwangsommen zijn verbeurd. Het bezwaar tegen één van de invorderingsbesluiten is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Omdat appellante geen rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen de last onder dwangsom is artikel 5:39 Awb niet van toepassing. Om tegen het invorderingsbesluit op te komen moest appellante dan ook tijdig bezwaar maken. Dat heeft zij niet gedaan. Het bezwaarschrift is na afloop van de termijn door verweerder ontvangen en appellante is er niet in geslaagd haar stelling dat zij het bezwaarschrift vóór het einde van de bezwaartermijn ter post heeft bezorgd met bewijs te onderbouwen.
De uitspraak op rechtspraak.nl