CBb 30 augustus 2022, ECLI:NL:CBB:2022:580

Msw. Fosfaatrechten. Meststoffenwet: artikel 23, derde en zesde lid. Met betrekking tot het betoog van appellante dat haar bedrijf als grondgebonden moet worden aangemerkt vanwege de overname van de veehouderijtakken van de drie bedrijven vóór 2018, heeft het College in zijn uitspraak van 9 februari 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:124) geoordeeld dat de grondgebondenheid van de bedrijven afzonderlijk dient te worden beoordeeld. Niet in geschil is dat appellante door intreding van de hittegolf een individuele en buitensporige last draagt als bedoeld in artikel 1 van het EP. Verweerder heeft daarom bij het herzieningsbesluit II een ontheffing aan appellante verleend ter compensatie van deze last. Wat betreft de door verweerder gekozen vorm van de compensatie, verwijst het College naar zijn uitspraak van 6 juli 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:708). Het College is verder van oordeel dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Het College is verder van oordeel dat appellante niet heeft onderbouwd waarom de correctie van de ontheffing naar 2.876 kg onjuist is. Het College zal het verzoek om immateriële schadevergoeding toewijzen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken