CBb 1 februari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:48
Met appellante is het College van oordeel als uitgangspunt heeft te gelden dat verweerder bij het nemen van een besluit op bezwaar naar aanleiding van een uitdrukkelijke opdracht van de rechter toepassing moet geven aan hetgeen in de uitspraak is overwogen. In de uitspraak is echter, anders dan appellante meent, geen opdracht gegeven aan verweerder om het fosfaatrecht te verhogen. Wat betreft de door verweerder gekozen vorm van de compensatie, verwijst het College naar zijn uitspraak van 6 juli 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:708). Daarin is geoordeeld dat de keuze van verweerder voor het verlenen van een ontheffing en niet – zoals verlangd door appellante – voor een verhoging van de vastgestelde hoeveelheid fosfaatrecht, past binnen de grenzen van de beslissingsruimte van verweerder. Voor zover appellante zich op het standpunt stelt dat haar (nu) geen compensatie wordt geboden in het kader van de Regeling fosfaatreductieplan 2017, oordeelt het College, met verweerder, dat dit besluit in deze procedure niet aan de orde is. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat de proceskosten in bezwaar niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat de herroeping van het besluit niet zijn oorzaak vindt in een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Het College heeft verweerder in de uitspraak van 24 maart 2020 immers al veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand in bezwaar. Voor zover verweerder meent dat de deskundigenkosten in bezwaar niet meer voor vergoeding in aanmerking komen omdat het College in die uitspraak al uitspraak heeft gedaan over de kosten van rechtsbijstand in bezwaar volgt het College hem daarin niet. Door het vernietigen van het besluit op bezwaar van 20 augustus 2019 moest verweerder immers opnieuw op het bezwaar, inclusief het door appellante gedane verzoek om vergoeding van de deskundigenkosten in bezwaar, beslissen.
De uitspraak op rechtspraak.nl