CBb 14 juni 2022, ECLI:NL:CBB:2022:310

Accountantstuchtrecht. De accountantskamer heeft naar het oordeel van het College terecht geoordeeld dat betrokkene het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid heeft geschonden. Betrokkene heeft bij de controle van de jaarrekening 2010 ten onrechte ingestemd met de verwerking daarin van de herfinanciering en vrijval van een schuldenpost en de rubricering en waardering van de onderhanden projecten. Verwerking post na balansdatum. Verhouding tussen RJ 115.105 en RJ 160.201. Geen kwestie van een professioneel verschil van inzicht. Bij de beoordeling van de controle van de balanspost onderhanden projecten moet aan de hand van het controledossier worden beoordeeld of betrokkene overeenkomstig NV COS 540 op een voldoende professioneel-kritische manier heeft beoordeeld of de inschattingen van het bestuur over de waardering van de ‘onderhanden projecten’ redelijk waren. Om daarop antwoord te kunnen geven dient te worden beoordeeld wat de kans is dat op de betreffende grondposities op termijn woningbouw wordt gerealiseerd. De accountantskamer heeft hierbij een juiste toetsingsmaatstaf aangelegd en heeft op basis daarvan terecht geoordeeld dat betrokkene hierbij geen voldoende en geschikte controlewerkzaamheden heeft verricht. De controle van de jaarrekening is dan ook met onvoldoende diepgang en met een onvoldoende professioneel-kritische instelling uitgevoerd, als gevolg waarvan betrokkene een goedkeurende accountantsverklaring in het maatschappelijk verkeer heeft gebracht zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag kan worden vastgesteld. Het College acht de door de accountantskamer opgelegde maatregel van berisping passend en geboden. Het hoger beroep van de curator wordt deels gegrond verklaard. Het hoger beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken