CBb 26 april 2022, ECLI:NL:CBB:2022:191
Meststoffenwet. Boetes wegens overschrijding van de gebruiksnormen in de zin van artikel 7 in samenhang met artikel 8 van de Msw en het schenden van de mestverwerkingsplicht op grond van artikel 33a, eerste en tweede lid, onderdeel b, van de Msw. Het College heeft in zijn uitspraken van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:652, 653 en 654) en van 27 juli 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:780) overwogen dat wanneer de marges bij het uitbrengen van het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete wegens een gestelde overtreding van de artikelen 7 en 8 van de Msw niet openbaar waren, dit gebrek ook niet kan worden hersteld door het intrekken van het voornemen en het uitbrengen van een nieuw voornemen nadat de marges openbaar zijn gemaakt. Bovendien heeft het College in deze uitspraken nadrukkelijk overwogen dat zijn oordeel over de niet-herstelbaarheid van de afwezigheid van openbaarheid van de marges ten tijde van het voornemen ook geldt indien de voornemenprocedure, zoals in het onderhavige geval, reeds aanhangig was op 18 december 2018. Omdat appellante niet al in het kader van de eerste voornemenprocedure op de hoogte is gesteld van de inhoud van de marges, kunnen opgelegde de bestuurlijke boetes niet in stand blijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl