CBb 13 juli 2021, ECLI:NL:CBB:2021:729

Verzoek om vergoeding van schade wegens onrechtmatig besluit waarin de overdracht van fosfaatrechten is geweigerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste uit artikel 6:163 van het BW. Uit dit artikel volgt dat geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. Het College is van oordeel dat het beschermingsbereik van de norm van artikel 23, derde lid, van de Msw niet alleen de juiste vaststelling van fosfaatrechten omvat maar ook de overdracht via verhandeling van die rechten. De gevorderde schade dient vervolgens door appellante te worden gespecificeerd en onderbouwd, om voor vergoeding daarvan in aanmerking te komen. Appellante heeft aannemelijk gemaakt dat zij om de door haar gemaakte overeenkomsten na te komen elders fosfaatrechten heeft moeten aankopen. Appellante mocht er gelet op al de door de overheid gegeven signalen op vertrouwen dat zij haar fosfaatrechten kon verkopen en hoefde zij er geen rekening mee te houden dat verweerder de registratie zou weigeren. Zo ver reikt de schadebeperkingsplicht van appellante niet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken