CBb 6 juli 2021, ECLI:NL:CBB:2021:713
Het betoog dat sprake is van een individuele en buitensporige last, faalt. Vast staat dat appellante op de peildatum niet beschikte over alle benodigde vergunningen. Desondanks ziet het College aanleiding om in te gaan op de specifieke situatie van appellante, nu niet duidelijk is wat de vergunde situatie was op het moment dat appellante begon met investeren in 2013. Verder acht het College deze investeringen, ondanks het tijdstip waarop deze zijn gedaan, navolgbaar, aangezien lokale overheden appellante actief hebben gestimuleerd om uitvoering te geven aan het plan tot oprichting van een duurzaam melkveebedrijf. Dat de investeringen en de daaruit voortvloeiende last hebben geleid tot buitensporigheid, is echter niet gebleken. Appellante heeft geen onderbouwing aangeleverd waaruit de financiële impact van de investering op haar bedrijf blijkt. Dat appellante in samenwerking met lokale overheden middels het plan duurzaamheid nastreefde, erkent het College, maar dit kan niet leiden tot een ander oordeel. Van belang hiertoe is dat het plan waarin staat vastgelegd dat appellante een duurzaam melkveebedrijf zou gaan starten en dus zou gaan uitbreiden, in de regel conflicteert met de uitgangspunten van het fosfaatrechtenstelsel, namelijk het terugdringen van fosfaatuitstoot. In verband met overschrijding van de redelijke termijn wordt tot slot een bedrag aan schadevergoeding vastgesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl