CBb 1 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:563
Beroep gegrond. Ten aanzien van de toepassing van de knelgevallenregeling is enkel nog in geschil van wat de melkproductie was in 2011. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de door appellante overgelegde stukken niet aannemelijk maken dat in 2011 de door haar gestelde hoeveelheid restmelk is weggelopen. Ook indien wordt uitgegaan van de verklaring van Van Iperen dat na het melken restmelk uit het melkfilter en de persleiding wegloopt, kan uit de door appellante overgelegde foto’s en video niet worden opgemaakt om hoeveel melk dat zou gaan. Dat, zoals verweerder in haar aanvullend verweerschrift heeft gesteld, nader bewijs zou moeten worden overgelegd met betrekking tot de separatiemelk volgt het College niet. Verweerder heeft eerder het door appellante overgelegde handgeschreven overzicht als voldoende bewijs aangemerkt en stelt zich in het aanvullende verweerschrift op het standpunt dat niet is vast komen te staan dat appellante over een melkmachine beschikte in 2011. Op grond van die stellingname valt naar het oordeel van het College niet in te zien waarom het handgeschreven overzicht de hoeveelheid separatiemelk in 2011 niet aannemelijk maakt. Ook heeft verweerder eerder niet verzocht om een verklaring van de dierenarts en niet gemotiveerd waarom een dergelijke verklaring alsnog zou moeten worden overgelegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl