CBb 26 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:442
De overdracht fosfaatrechten tussen appellant en de vervreemder is afgewezen nadat het fosfaatrecht van de vervreemder is herzien en lager is vastgesteld. Het bezwaar van appellant tegen die vaststelling is niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant volgens verweerder geen belanghebbende is bij dat besluit. Het College oordeelt dat verweerder appellant terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt. In de conclusie van raadsheer advocaat-generaal mr R.J.G.M. Widdershoven (ECLI:NL:CRVB:2018:3474) is als uitgangspunt geformuleerd dat de derde toegang moet hebben tot de bestuursrechter en dus als belanghebbende moet worden aangemerkt als hij door het besluit wordt geraakt in een recht of een rechtens beschermd belang. In vuistregel 4 van deze conclusie is gesteld dat een belang de derde kan worden tegengeworpen als zijn belang parallel loopt aan dat van de eerstbetrokkene en zijn belang uitsluitend via een contractuele relatie met de eerstbetrokkene bij dat besluit is betrokken. Appellant heeft slechts vanwege zijn contractuele relatie een belang bij de besluitvorming omtrent de vaststelling van de fosfaatrechten van vervreemder. Dit belang loopt parallel aan dat van vervreemder.
De uitspraak op rechtspraak.nl