CBb 14 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1080
Hoger beroep. Het College volgt de rechtbank in haar oordeel dat CRH slechts een afgeleid en geen rechtstreeks betrokken belang heeft bij de intrekkingsbesluiten. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het belang van CRH een parallel belang betreft dat gelijk loopt aan het belang van de ondernemingen en het belang van de ondernemingen zelf niet overtreft. Hoewel de intrekkingsbesluiten de (financiële) belangen van CRH via de met de ondernemingen gesloten overeenkomsten (ernstig) kunnen raken, hebben zij, anders dan CRH aanvoert, geen (direct) gevolg voor de rechten en plichten van CRH in haar hoedanigheid van pensioenuitvoerder. Voorts zijn de intrekkingsbesluiten genomen omdat niet meer werd voldaan aan het wettelijke voorschrift dat de eigen pensioenregeling van de werkgever financieel gelijkwaardig dient te zijn aan die van het bedrijfspensioenfonds. Zij hebben geen betrekking op de kwaliteit van CRH als pensioenuitvoerder.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CBb 26 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:442
- CBb 30 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:349
- Rb. Rotterdam 23 december 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:12098
- CBb 13 oktober 2020, ECLI:NL:CBB:2020:748
- CRvB 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3474
- CBb 20 juli 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ4704
- CBb 28 november 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AZ3274