CBb 23 februari 2021, ECLI:NL:CBB:2021:166
Meststoffenwet. Artikel 23, zesde lid, van de Msw. Artikel 1 EP. Fosfaatrechten. Gegrond beroep i.v.m. verhoging melkproductie. Geen geslaagd beroep op de knelgevallenregeling. Geen individuele en buitensporige last. Heropening i.v.m. schadeverzoek. De vervoederde en weggegooide melk zijn aanvankelijk ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Het fosfaatrecht dient daarom te worden verhoogd naar 3.873 kg. Hoewel appellante de alternatieve peildatum 8 augustus 2013 op haar melding bijzondere omstandigheden heeft opgegeven en verweerder op basis daarvan haar knelgevallenberoep op bouwwerkzaamheden heeft beoordeeld, stelt het College vast dat de bouwwerkzaamheden pas per 1 april 2014 zijn begonnen. Voor deze knelgevallenbeoordeling kan naar het oordeel van het College niet worden gekeken naar de door appellante opgegeven alternatieve peildatum, omdat van bouwwerkzaamheden als bijzondere omstandigheid op dat moment nog geen sprake was. Verweerder heeft ten aanzien van de bouwwerkzaamheden opnieuw het knelgevallenberoep van appellante beoordeeld met inachtneming van de alternatieve peildatum 1 april 2014. Verweerder heeft in het nadere verweerschrift gemotiveerd uiteengezet dat en waarom appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat op de peildatum het fosfaatrecht minimaal 5% lager was als gevolg van de bouwwerkzaamheden. Het College deelt niet het standpunt van appellante dat verweerder in haar geval van twee alternatieve peildata had moeten uitgaan in de zin dat voor de aantallen melk- en kalfkoeien moet worden uitgegaan van 1 april 2014 en voor het jongvee van 2 juli 2015.Tussen partijen is in geschil of in het geval van appellante sprake is vernieling van haar jongveestal. Het College stelt vast dat de wetgever het begrip ‘vernieling van de melkveestallen’ ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw in de wet noch in de wetsgeschiedenis heeft gedefinieerd. Gebleken is dat verweerder dit begrip ook niet door middel van wetsinterpreterend beleid nader heeft omschreven. Het College zoekt daarom aansluiting bij een verwant wettelijk kader uit het omgevingsrecht. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van 25 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AH8648, zie ook recenter de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2444) moet onder een calamiteit worden verstaan een verwoesting door onvermijdelijk, eenmalig, buiten de schuld van betrokkene veroorzaakt onheil. Instorting tijdens een storm als gevolg van achterstallig onderhoud of onvoldoende hechtheid is geen calamiteit. Het College oordeelt in het licht van deze interpretatie dat bij appellante geen sprake was van een calamiteit zoals bedoeld in voornoemde jurisprudentie en dus niet van vernieling op grond van artikel 23, zesde lid van Msw. Er is geen sprake van verwoesting door een eenmalige gebeurtenis buiten de invloedssfeer van appellante, maar van een jarenlange verslechtering van haar stal waarbij het voor haar eigen rekening en risico komt wanneer zij onvoldoende zorgdraagt voor een goed onderhoud van haar stal. Het College stelt vast dat appellante de door haar gestelde schade niet nader heeft onderbouwd. Ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de schade zal het College daarom het onderzoek in deze zaak heropenen.
De uitspraak op rechtspraak.nl