CBb 7 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1057
Bestuurlijke boete. In geschil is ten eerste of appellante een overtreding heeft begaan van artikel 3, eerste lid, van Verordening 853/2004, gelezen in samenhang met het derde punt van Hoofdstuk II, van Sectie II, van Bijlage III, van deze verordening. Uit deze voorschriften kan naar het oordeel van het College niet de verplichting voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven worden afgeleid dat zij hun voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 °C tijdens het slachtproces steeds op een juiste temperatuur hebben, of dat zij tijdens dit proces steeds een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect in bedrijf hebben. Het gaat om aanwezigheidsvoorschriften. De rechtbank heeft de opgelegde boete ten onrechte in stand gelaten. Overschrijding redelijke termijn. Ten tweede is in geschil of appellante een overtreding heeft begaan van artikel 5, eerste lid, van Verordening 852/2004. Naar het oordeel van het College heeft appellante op onjuiste wijze uitvoering gegeven aan de door haar opgestelde wasplaatsprocedure en deze procedure niet goed nageleefd. Overschrijding redelijke termijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl