CBb 7 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1043

Appellante heeft tegen een door de accountantskamer met toepassing van artikel 39, eerste lid, van de Wtra gedane uitspraak (voorzittersbeslissing) hoger beroep bij het College ingesteld, in plaats van – zoals het derde lid van artikel 39 van de Wtra voorschrijft – verzet gedaan bij de accountantskamer. Dit betekent dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hoewel de Wtra geen bepaling bevat die ziet op het doorzenden van een bij een onbevoegde instantie ingediend verzet- of (hoger)beroepschrift, is het College van oordeel dat het beginsel van een behoorlijke (tucht)procesorde meebrengt dat het hogerberoepschrift van appellante, met de daarbij behorende stukken, voor verdere behandeling aan de accountantskamer wordt doorgestuurd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken